Door deze website te gebruiken stem je in met het gebruik van cookies overeenkomstig ons privacybeleid op de NMBS website. Meer informatie over de gebruikte cookies en het beheer ervan vind je in ons cookiebeleid.

Een huisje langs het spoor

Guido Telemans

Kan jij je voorstellen dat jouw huis in een museum staat? Het doet me wel iets, om zo mijn jeugd vereeuwigd te zien in. Niets roept meer herinneringen op dan je ouderlijk huis. Het museum is er volledig rond gebouwd. Ongelooflijk! Als baanmeester heeft mijn vader, Pieter-Paul Telemans, ons hier heel mooie tijden bezorgd.

De spoorweg: een menselijk verhaal

Oorspronkelijk zijn wij afkomstig uit Limburg. Het is ook daar dat onze avonturen begonnen. Mijn vader startte bij de NMBS als spoorwegarbeider in Genk en is van daaruit steeds hoger opgeklommen tot hij ploegbaas was in Hasselt. Na zijn promotie tot baanmeester in 1939 moesten we verhuizen naar Evere. Drie jaar later werd hij baanmeester in Schaarbeek en gingen we in het spoorweghuisje wonen dat je hier nu ziet staan. In 1958 ging mijn vader met pensioen en moesten we spijtig genoeg het huisje verlaten. We hebben daarna nog in Zellik en Ukkel gewoond. Toen mijn broers, zussen en ik de jaren daarop begonnen te trouwen en het huis te verlaten, hebben mijn ouders besloten om terug te keren naar Limburg.

Ik vind het mooi dat de NMBS dit huisje zo centraal zet in het museum. Het is een hulde aan de spoorwegmannen en -vrouwen. Want er is heel wat volk nodig om een trein te doen rijden.

Wat deed een baanmeester?

Een baanmeester kreeg een bepaalde sector van het spoorwegnet toegewezen. Hij was verantwoordelijk voor het vlot verlopen van het spoorwegverkeer binnen deze sector, door ervoor te zorgen dat de sporen werden onderhouden en reparatiewerken werden uitgevoerd. Mijn vader had hiervoor enkele ploegen spoorleggers onder zich. Een belangrijke job dus!

Onze oorlogsjaren

We woonden in Evere toen de oorlog uitbrak en de NMBS haar personeelsleden opriep om naar Groot-Brittannië te vluchten. Zonder personeel kon de spoorweg immers niet functioneren, wat de opmars van de Duitsers tijdelijk deed vertragen. Ik was toen nog maar twee jaar, te jong om te kunnen begrijpen wat er aan de hand was. Mijn vader heeft me achteraf verteld wat er allemaal gebeurde.

We gingen naar Oostende, maar daar was het zodanig druk dat we geen plaats vonden op een ferry. Na een mislukte poging om een trein terug naar huis te nemen, zat er niets anders op dan mee te stappen met de vluchtelingenstroom tot in Veurne. We wisten natuurlijk niet dat daar zo’n hevig oorlogsgewoel zou uitbreken. Gelukkig konden we na enkele dagen terug naar huis.

Twee jaar later kreeg mijn vader zijn promotie tot baanmeester van Schaarbeek. Dit is een belangrijke sector met veel depots en rangeerbundels. We verhuisden dus midden in de oorlog naar het spoorweghuisje dat nu in Train World staat.

Door het belang van het station Schaarbeek was het een doelwit voor de geallieerden die het spoorwegnet wilden platleggen om zo de Duitsers tegen te werken. Maar mijn vader hield erg van zijn job en zag het als zijn verantwoordelijkheid om zijn werk gewoon zo goed mogelijk te doen. Geen gemakkelijke taak in die woelige tijden!

Vlakbij ons huis was er een stuk doodlopend spoor dat gebruikt werd voor reserverijtuigen en rijtuigen die onderhoud nodig hadden. Tijdens de oorlog werden hier ook deportatierijtuigen en Rode Kruis-rijtuigen gezet. Ik zal nooit vergeten dat daar ooit eens rijtuig van het Rode Kruis stond met geblindeerde ramen. Door die getinte ramen leek het verlaten. Als jonge knapen waren we nieuwsgierig, dus we probeerden met een lange stok door één van de openstaande raampjes de omgeving af te tasten. Plots begon er een boze verpleegster te tieren in een taal die we niet begrepen. We waren snel weer weg!

De baas van mijn vader, ingenieur Anslot, woonde op een dikke halve kilometer van het station van Schaarbeek. Stations werden vaak gebombardeerd. Daarom ging Anslot op een veiligere afstand wonen. Zo konden wij tijdens de laatste oorlogsweken in zijn huis intrekken. Maar Anslot had gelijk, het was nog niet ver genoeg. Op zekere dag, terwijl we gezellig zaten te eten, knalde een obus door de muur van de WC. Mijn broer Hugo kreeg de losgeslagen deur op zijn hoofd. We renden halsoverkop de schuilkelder in. Het had erger kunnen aflopen.

Ontsnappen aan het oorlogsgeweld

De NMBS was wel enorm begaan met haar personeel. Naar het einde van de oorlog toe kreeg iedereen de kans om zijn kinderen een tijdje weg te sturen van het oorlogsgeweld. Mijn zussen werden naar de Kempen gestuurd en ik en mijn broers naar de ‘Colonie des Vacances’ in Flobecq. Normaal gezien was deze plek een rusthuis voor gepensioneerd NMBS-personeel, maar er kon nog wel een groepje kinderen bij. Na een maand of vier, toen de oorlog voorbij was, is mijn vader ons allemaal terug komen halen. Het was daar trouwens zo slecht nog niet, in Flobecq. We hebben daar vlot Frans leren spreken. Mijn broer Hugo was een beetje de favoriet van een verpleegster daar. Ze vertelde hem verhalen over haar verloofde, een piloot die gedeporteerd was naar Duitsland. In ruil voor zijn luisterend oor kreeg hij altijd wat lekkers.

Een onbezorgde jeugd in het baanmeesterhuisje

We leefden bijna op het spoor. Ons huisje lag op nog geen 2 meter van de sporen en de drukke lijn naar Antwerpen lag op 15 meter. Mijn twee oudere zussen, Alice en Mariette, sliepen op de bovenste verdieping aan de noordkant. Ik sliep met mijn oudere broer Hugo en mijn jongere broer Paul op dezelfde verdieping aan de zuidkant. Daar tussenin sliepen onze ouders. Mijn moeder kon dus snel ingrijpen als we nog maar eens ruzie maakten!

We hadden het eigenlijk heel comfortabel daar. De NMBS zorgde goed voor ons! Ze grepen altijd in als er problemen waren. Als er bijvoorbeeld waterschade was of een probleem met de elektriciteit stuurden ze een loodgieter of elektricien om het probleem op te lossen.

Er was ook een houten bureau voor mijn vader en we hadden een grote tuin, waar enkele fruitbomen stonden en we groenten kweekten. Er waren zelfs kleine stalletjes voor kippen, konijnen en eenden! Vooral tijdens de magere oorlogsjaren kwam dit goed van pas. Ik herinner me ook nog dat vader zelf een schommel voor ons gebouwd had met enkele afgedankte spoorstaven.

Als kind amuseerden we ons op de schommel en in de stalletjes. De konijnenstal die ook diende als hooiopslagplaats was ideaal om verstoppertje in te spelen. Toen we wat ouder werden, hebben mijn broers en ik één van de stalletjes als clubhuis ingericht. Hier maakten we ons huiswerk en werden de vergaderingen van de scouts van Evere voorbereid. We waren daar alle drie leider. Kortom, ik heb hier in Schaarbeek samen met vrienden en familie een fantastische tijd beleefd!

Vandaag is Train World open van 10:00 tot 17:00 (laatste toegang om 15u30).

close