Lang geleden, lang vóór België op het spoor werd gezet, waren mensen voor hun mobiliteit aangewezen op de benenwagen. Wie kapitaalkrachtig was, kon zich paard en wagen permitteren of reizen met de postkoets. Vanaf de zestiende eeuw boden trekschuiten, die vanaf de wal door een paard werden voortgetrokken, de eerste vorm van openbaar vervoer. Ze waren met 3 tot 4 km per uur traag, maar wel stipt. De schipper hield zich aan een dienstregeling en wachtte niet op laatkomers. De oudste gekende trekschuitdienst in België uit 1618 was deze tussen Brussel en Antwerpen. Tot de uitvinding van de ijzeren weg was dit meest comfortabele en regelmatige wijze van transport tussen steden en dorpen die met waterwegen verbonden waren. De trein zou een revolutie teweegbrengen op vlak van snelheid en vervoercapaciteit: in de 19e eeuw haalden de stoomlocomotieven de voor die tijd fenomenale snelheid van 60 km/u.
De twee belangrijkste componenten van de spoorweg – de sporen en de locomotief – werden ontwikkeld in de loop van de industriële revolutie (1750-1840). De eerste spoorlijn ter wereld dateert van 1825 toen George Stephenson in Engeland de steden Stockton en Darlington met elkaar verbond door middel van rails. De lijn was bestemd voor het vervoer van steenkool. De wagens werden gesleept door stoomlocomotieven. Het reizigersvervoer gebeurde met paardentractie. Ook in Frankrijk waren de eerste lijnen, Saint-Etienne – Andrézieux en Saint-Etienne – Lyon, industriële spoorwegen.







